Jo
De vier zusters en de schoonzuster nipten van de thee. Hun monden leken op die van de mannen als ze zich, op de zeldzame dagen dat mijn vader jenever schonk, voorover bogen om met getuite lippen de kop van het glaasje te slobberen. De vrouwen deden alsof er ook een kop van thee was, alleen slobberden ze niet en bogen ze zich ook niet voorover. Met de ellebogen naar buiten en de pinken geheven zaten ze daar gezusterlijk met hun theekopjes. Het oortje hielden ze heel voorzichtig tussen duim en wijsvinger. Meer dan zeventig jaar geleden zaten ze daar, ieder altijd op dezelfde plaats.
Mijn moeder was één van hen. Door dat voorzichtige genip en die pink leek ze ineens deftiger, al praatte ze een beetje hard. En onze gewelfde, breed uitlopende kopjes met afbeeldingen van sawa's en grillige tropische bomen, donkerblauw op wit, waren ineens breekbaar geworden, net zo onaanraakbaar als het fijne porselein dat ik bij de dominee had zien staan in de kast met de glazen deuren.
Er was een dissonant. Want tante Jo deed niét mee aan die keurigheid. Haar slanke hand omvatte het kopje, waarbij het oortje meestal vrij en zichtbaar bleef tussen de top van de wijsvinger aan de ene kant en de duim aan de andere kant. Ze hield, bedacht ik, het kopje natuurlijk zo vast om haar hand te warmen. Ik zag het de boeren precies zo doen. Soms legde ze de andere hand er ook even omheen. Dan was alleen nog het gekke puntige uiteinde van het oortje te zien. Af en toe nam ze een ferme slok. Dit theekopje was niet breekbaar geworden, dit theekopje hield van mensen, dit theekopje hield van tante Jo's handen.
Ik nam het theetafereel waar vanuit een hoek van de kamer, waar ik in mijn zondagse jurkje stil op de stoof zat. Het liefst had ik dat ze mij vergaten, wat gelukkig regelmatig voorkwam. Als er even niemand iets zei, hield ik mijn adem in tot ik bijna stikte, want vooral tijdens stiltes was het gevaar groot dat ze aandacht zouden krijgen voor de omgeving en dus voor mij. Ik zou dan op schoot moeten zitten of juist worden weggestuurd 'omdat dit gepraat niks is voor een klein kind'. Wegsturen was iets heel anders dan ingeschakeld worden. Dat laatste gebeurde ook wel en ik was, ondanks de dreiging van hun bemoeizucht, gaarne bereid verse thee te halen, en koekjes, en boeken, en moeders nieuwe breiwerk. 'Kan Ali niet even...' Zolang ik me nuttig maakte, hoefde ik immers niet weg. Oneindig veel liever echter zat ik onopgemerkt in mijn hoekje te luisteren en te kijken.